Het verhaal van Deepak

In 2018 ben ik door Elena Lindemans van de BNN/VARA benaderd met de vraag of ik wil meewerken aan de documentaire “Verstoten vaders”. Ik heb er meteen positief op geantwoord.  

In Nederland worden jaarlijks duizenden “niet-verzorgende” ouders (meestal de vader) verstoten door één of meerdere van hun kinderen. Ouderverstoting vindt meestal plaats na een scheiding en het proces wordt door de “verzorgende” ouder (meestal de moeder) in gang gezet. Kennelijk heeft de “verzorgende” ouder na een scheiding zoveel wrok tegen de “niet-verzorgende ouder”, dat  voorbij wordt gegaan aan de belangen van het kind. Conform artikel 1:377a BW hebben het kind en de niet-verzorgende ouder namelijk recht op omgang met elkaar. In mijn geval wordt dit recht niet gerespecteerd en wordt alles uit de kast gehaald om het contact en de band tussen mijn dochter en mij te verbreken/kapot te maken. De “verzorgende ouder” heeft hierin vrij spel. Het Nederlandse familierecht is namelijk gedateerd. Er wordt nog steeds onterecht van uitgegaan dat het kind na een scheiding bij de moeder hoort. Instellingen zoals de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming komen hier ook schaamteloos voor uit. Dat is anno 2020 echter niet meer zo vanzelfsprekend. De tijden zijn veranderd en zo ook de rol van de vader. Het wordt tijd dat politiek Nederland wakker wordt geschud en het familierecht drastisch wordt gewijzigd. Mijn inziens is de Nederlandse overheid namelijk medeplichtig aan de ellende van duizenden ouders en kinderen. Zij weigeren in te grijpen en staan toe dat kinderen als machtsmiddel worden ingezet.

 

In december 2015 besloot ik de relatie met mijn ex te beëindigen. Wij waren niet getrouwd en woonden niet samen. Onze dochter was toen 2 jaar. Mijn dochter en ik hadden een heel goede band, ze was echt een papa`s meisje. Samen met mijn ex wilde ik een omgangsregeling overeenkomen, echter mijn ex was van mening dat dit niet in onderling overleg kon en dat ik naar de rechter moest stappen. Waar ik voorheen mijn dochter om de dag zag en soms dagen achter elkaar, mocht ik nu mijn dochter niet meer zien. Ik heb toen een advocaat in de arm genomen. Vervolgens hebben er een aantal gesprekken tussen mijn ex en mij, in het bijzijn van de advocaten, plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken zijn mijn ex en ik een voorlopige omgangsregeling overeengekomen. Op een gegeven moment kwamen wij er niet meer gezamenlijk uit. Ik wilde dat de omgangsregeling uitgebreid werd en mijn ex wilde dit absoluut niet. Zodoende heb ik een verzoekschrift bij de Rechtbank Rotterdam ingediend. Op de zitting had ik te maken met een rechter die niet geheel onpartijdig was. Ik kreeg tijdens de zitting te horen dat ik niet automatisch evenveel recht op omgang met mijn dochter heb als de moeder. Mijn inzet was namelijk co-ouderschap. Ik heb immers gezag en ik nam ook een groot gedeelte van de zorg voor mijn dochter op mij. Op de zitting kwamen wij er niet uit en de rechter vond dat wij in mediation moesten. Deze mediator was ook van mening dat een kind meer bij de moeder thuis hoort dan bij de vader. Gezien de houding van de rechter wist ik dat ik mijn hoop niet op de rechtbank moest vestigen. De rechter zou waarschijnlijk een standaardregeling van een weekend om de 2 weken vaststellen. Mijn doel tijdens de mediation verschoof van co-ouderschap naar mijn dochter elke week minimaal 1 dag bij mij te hebben, waarbij ik mijn dochter ook naar de peuterzaal kon brengen en ophalen. Ik wilde absoluut niet degraderen naar een weekendpapa en een rol spelen bij de opvoeding van mijn dochter. Uiteindelijk heb ik genoegen genomen met de volgende omgangsregeling; week 1 maandag van 07.00 uur tot 18.00 uur en week 2 vrijdag 17.00 uur tot maandag 18.00 uur. Deze regeling heb ik ook door de rechtbank laten bekrachtigen. Bij een kind horen naast rechten ook plichten, derhalve heb ik meteen de kinderalimentatie door de rechter laten vaststellen. De regeling werd in oktober 2016 door de rechtbank bekrachtigd.

 

Tot januari 2017 verliep de grotendeels zonder problemen (wij hadden immers weer een knipperlicht-relatie), mijn ex had wel moeite met het lange weekend. In januari 2017 wilde mijn ex het weekend inkorten door de mandag eraf te halen. Volgens haar zou mijn dochter niet zo lang zonder haar moeder kunnen. Ik merkte daar zelf niks van. Mijn dochter en ik hadden altijd de leukste tijd en soms wilde ze niet eens terug naar mijn ex. Desondanks wilde ik mijn ex tegemoet komen en heb haar een tegenvoorstel gedaan. Het lange weekend zou ingekort worden, echter de verloren dag wilde ik op een ander moment in de week inhalen. Hier heeft mijn ex afwijzend op gereageerd. Zij wilde alleen dat de omgang ingekort werd. Op verzoek van mijn ex ben akkoord gegaan om haar verzoek aan een mediator voor te leggen. De mediator kwam al gauw tot de conclusie dat er geen reden was om het lange weekend in te korten. Hij was zelfs van mening dat ik een goed tegenvoorstel had gedaan. Na een aantal afspraken is mijn ex toch akkoord gegaan met mijn tegenvoorstel. Ik had mijn werkrooster omgegooid en wij hielden ons inmiddels aan de gewijzigde omgangsregeling. De mediator zou alles op papier zetten en dan zouden wij dit ondertekenen. Alles was in kannen en kruiken, echter op de dag van ondertekenen wilt mijn ex plots onderhandelen over een extra bijdrage bovenop de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie (overigens had ik enige tijd voor deze afspraak definitief een punt achter onze knipperlichtrelatie gezet, waarna mijn ex mij via Whatsapp lastig viel omdat ze kennelijk niet kon verkroppen dat ik een punt achter de relatie had gezet.  Mij werd toen ook medegedeeld dat zij mij kapot zou maken en dat ik mijn dochtertje niet meer zou zien). Hier ben ik niet mee akkoord gegaan en mijn ex weigerde vervolgens de gewijzigde omgangsregeling te ondertekenen. Wij zouden er gezamenlijk niet meer uit komen en dus heb ik de mediation beëindigd en haar medegedeeld dat wij dan de door de rechtbank bekrachtigde omgangsregeling weer zullen gaan volgen. Mijn ex doet vervolgens aangifte van doodsbedreiging.

 

Het eerste lange weekend die volgde moest onze dochter naar het consultatiebureau voor een inenting. De afspraak was op de maandag dat onze dochter bij mij was. Mijn ex wilde perse mee naar het consultatiebureau. Hiermee ben ik akkoord gegaan. Uit eerdere ervaringen bleek dat onze dochter na een inenting last kreeg van koorts. Mijn ex heeft mij gevraagd een uur voor de inenting onze dochter uit voorzorg een zetpil toe te dienen. Hier heb ik gehoor aangegeven. Dit ging niet soepel omdat onze dochter een zetpil niet echt fijn vind. Op het consultatiebureau was onze dochter erg onrustig omdat ze bang was voor de prik. Wij probeerden haar gerust te stellen en mijn ex nam onze dochter op schoot., echter toen onze dochter de prik zag gaf zij aan dat ze bij papa op schoot wilde. Na de prik heb ik op verzoek van mijn ex onze dochter met haar naar huis gestuurd, terwijl zij eigenlijk nog 3 uurtjes bij mij zou verblijven.

De volgende dag kreeg ik bericht van mijn ex dat zij die ochtend met onze dochter naar de huisarts is geweest en dat deze heeft geconstateerd dat onze dochter licht gekneusde ribben heeft. Volgens mijn ex zou onze dochter hebben gezegd dat papa haar geeft geslagen. Mijn ex deelde ook even mee dat ze vanaf heden de omgang eenzijdig beëindigd. Ik vond het een heel vreemd verhaal, omdat ik de dag ervoor nog met onze dochter ben gaan zwemmen. Tijdens het zwemmen had zij nergens last van. Ik heb haar de maandagochtend van de inenting naar de peuterspeelzaal gebracht. Daar heeft zij nog in de pauze buiten gespeeld en de peuterleidsters hebben ook niks aan haar gemerkt. Een kind van 2 met licht gekneusde ribben zou daar mijn inziens wel last van moeten ondervinden. Bovendien heb ik onze dochter op maandagmiddag aan mijn ex meegegeven en dinsdag had ze opeens licht gekneusde ribben.

De maandagochtend erop stond ik voor de deur van mijn ex om onze dochter op te halen en naar de peuterspeelzaal te brengen. Ik kreeg te horen dat ik onze dochter niet meekreeg. Vervolgens heb ik een kort geding gestart. De zitting was in oktober 2017. Vlak voor de zitting doet mijn ex aangifte van kindermishandeling. De Rechtbank Rotterdam bepaalt vervolgens dat de omgangsregeling, in afwachting van de uitkomst van de aangifte, voorlopig wordt beperkt tot 1 zaterdag in de 2 weken van 09.00 uur tot 18.00 uur. Aan mijn ex wordt een dwangsom van € 50,00 opgelegd voor iedere keer dat zij de omgangsregeling niet nakomt. Bovendien bepaalt de Rechtbank Rotterdam dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek moet starten. Mijn ex komt vervolgens de voorlopige regeling ook niet na en deelt mij simpelweg mee dat ik de dwangsom met de kinderalimentatie kan verrekenen.

 

Ik start een tweede kort geding. Deze zitting vindt plaats in december 2017. Ditmaal doet mijn ex vlak voor de zitting aangifte van seksueel misbruik en prompt bepaalt de Rechtbank Rotterdam dat de omgang via het omgangshuis moet plaatsvinden en legt mijn ex een dwangsom van € 1.000,00 op voor iedere keer dat mijn ex hier niet aan meewerkt.

De volgende zitting vindt dan pas in november 2018 plaats. In de tussentijd is het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming afgerond en ben ik ook door de politie verhoord. Uitkomst van het verhoor is dat de zaak wordt geseponeerd omdat ik ten onrechte als verdachte ben aangemerkt. In rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming is onder andere het volgende vermeld:

·      Zij (onze dochter) lijkt met de angsten van moeder te worden belast;

·      Onvoldoende duidelijk was of onze dochter uit zichzelf sprak over slaan door vader         of dat zij moeders uitspraken herhaalde;

·      Er zijn geen concrete aanwijzingen gevonden voor seksueel misbruik. Ook zijn er geen signalen van fysieke onveiligheid;

·      Voorts heeft de Raad voor de Kinderbescherming de indruk dat dochter negatieve informatie over vader op een manier benoemt die niet kind eigen lijken te zijn;

·      De Raad voor de Kinderbescherming vindt het zorgelijk dat de enige motivatie van moeder om mee te werken aan de omgang bij het omgangshuis lijkt te zijn, het voorkomen van de geldboete die boven haar hoofd hangt indien zij niet meewerkt;

·      Omdat een kind sterk beïnvloed wordt door zijn opvoedomgeving, is het waarschijnlijk dat de gevoeligheid (stress en spanning) van moeder ten aanzien van vader, van invloed is op het vaderbeeld van dochter. Haar worden herinneringen/gedachten meegegeven die nadelig zullen werken t.a.v. het contactherstel met vader. Wanneer er geen regelmatig contact tussen dochter en vader volgt op de contacten bij het omgangshuis, kan dit (wederom) leiden tot een verlieservaring bij dochter.

 

Naar aanleiding van de zitting bepaalt de Rechtbank Rotterdam dat er iedere woensdagmiddag omgang tussen vader en dochter moet zijn en dat dit geleidelijk uitgebreid moet worden en legt mijn ex een dwangsom van € 500,00 op voor iedere keer dat ze niet meewerkt. Daarnaast wordt onze dochter voor de duur van 1 jaar onder toezicht van de jeugdbescherming geplaatst.

Mijn ex komt wederom de door de Rechtbank Rotterdam bepaalde regeling niet na en ik kan de dwangsom niet bij mijn ex innen. Immers van een kale kip valt niet te plukken.

Ik start een derde kort geding en deze vindt plaats in januari 2019.  Naar aanleiding van de zitting machtigt de Rechtbank Rotterdam mij om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van het vonnis van november 2018 te bewerkstelligen en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang (ieder keer dat ex niet meewerkt moet ze 7 dagen de cel in). 

 

Uit angst voor de lijfsdwang “werkt mijn ex mee aan de omgang”, echter uit haar handelen blijkt dat zij niet achter de omgang staat. Zij geeft dit bij de Jeugdbescherming aan en wenst dat de omgang beëindigd wordt. Ze weigert te communiceren met mij, laat buren verklaringen opstellen over de overdrachten voor haar huis. Verder beïnvloedt mijn ex haar huisarts en laat deze onterechte en onjuiste verklaringen opstellen (huisarts heb ik voor de tuchtcollege gedaagd en deze hebben hem een berisping opgelegd). Vaderdagcadeau, welke onze dochter op school maakt, wordt niet aan mij overgedragen. Via de mail wordt ik herhaaldelijk valselijk beschuldigd en uitgescholden. In de tussentijd is onze dochter zodanig gehersenspoeld dat zich begint af te keren tegen mij.

Oktober 2019 wordt de ondertoezichtstelling van onze dochter met 1 jaar verlengd en vindt er nog een zitting met betrekking tot de omgang plaats.

 

Mijn ex wil namelijk dat de omgang gestopt wordt. Tijdens de zitting blijkt dat mijn ex tijdens de omgangsmomenten van de afgelopen maanden onze dochter van verborgen geluidsapparatuur heeft voorzien, om zo alle gesprekken af te luisteren. Onze dochter krijgt zo ook geen ruimte om haarzelf te zijn, want ze weet dat haar moeder altijd meeluistert. Nadat ik mijn dochter na lange tijd weer zag heb ik mij in de eerste bezoeken 2 keer negatief uitgelaten over moeder. Ik ben ook maar een mens met gevoelens. Door de valse beschuldigingen van moeder heb ik mijn dochtertje een lange tijd niet mogen zien en daarna kreeg ik een gehersenspoelde kind terug. Ik had geen idee hoe ik hiermee moest omgaan. Bij de jeugdbescherming heb ik nog gevraagd of ik hierbij hulp kon krijgen, maar die mogelijkheid was er niet. Vervolgens heb ik zelf hulp gezocht bij een psycholoog, omdat ik wist dat niet de juiste manier was.  De Rechtbank Rotterdam vindt het heel triest dat mijn ex onze dochter hiervoor gebruikt en houdt de zaak aan tot april 2020. Wel laat de Rechtbank Rotterdam de lijfsdwang vervangen door een dwangsom van € 500,00.

 

Tot op heden vindt de overdracht van onze dochter op kantoor van de Jeugdbescherming plaats. Het eerste jaar dat dat onze dochter onder toezicht van de Jeugdbescherming stond is er geen hulpverlening gestart (een jaar!). In de tussentijd heeft de Jeugdbescherming mijn ex een gezinsopname voorgesteld. Mijn ex wil hier niet aan meewerken. Jeugdbescherming laat het daarbij. De jeugdbescherming heeft onze dochter enige tijd geleden aangemeld voor speltherapie. Hopelijk gaat dit binnenkort starten. Onlangs zijn de ouders aangemeld voor een onderzoek bij het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek. Hiervan hebben we te horen gekregen dat er een wachtlijst van ongeveer 6 maanden is. Mijn ex weigert verder iedere hulp waarbij wij gezamenlijk aan deel moeten nemen, omdat e niet met mij in 1 ruimte wil zitten. Een maand geleden wilde de Jeugdbescherming de omgangsregeling gaan uitbreiden naar het weekend, echter hiervoor is vereist dat ouders enigszins met elkaar kunnen communiceren omdat de overdracht in het weekend moet plaatsvinden zonder tussenkomt van de Jeugdbescherming. De jeugdbescherming heeft toen aan ouders het traject “Ouderschap blijft” voorgesteld. Mijn ex wil hier wederom niet aan meewerken, waarop de Jeugdbescherming doodleuk de uitbreiding van de omgangsregeling “on hold” heeft gezet in afwachting van het onderzoek van de Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek. Het herstel van de band tussen vader en dochter heeft kennelijk geen prioriteit.

 

Sinds het moment dat mijn dochter en ik in deze ellende zijn beland heb ik veel jurisprudentie en verhalen van andere vaders op forums gelezen. Dit en mijn eigen ervaringen met het familierecht heeft mij doen besluiten mijn medewerking aan de documentaire van Elena te verlenen. Inmiddels heb ik al bijna 3 jaar alle bijzondere momenten van mijn dochter, zoals verjaardagen, sinterklaas, kerst, oud & nieuw, musicals enzovoorts moet missen. Wellicht is het voor ons te laat, maar kan de documentaire deuren openen voor andere vaders en hun kinderen. Het wordt tijd dat vaders niet meer ongelijk behandeld worden door de Rechtbank, Raad voor de Kinderbescherming, de Jeugdbescherming en de politie en dat kinderen met gescheiden ouders zorgeloos kunnen opgroeien waarbij zij niet gedwongen worden te kiezen tussen hun ouders.

 

© Deepak Bahadoer